Het antwoord op de fotografie
Tegen het einde van de negentiende eeuw kon een apparaat vastleggen wat er stond, sneller en nauwkeuriger dan welke schilder ook. Dat is een grotere schok geweest dan wij ons nu voorstellen, en er kwamen twee antwoorden op.
Het ene was: dan schilderen we hoe het voelt om te kijken — dat werd het impressionisme. Het andere was: dan schilderen we wat een camera principieel niet kan zien. Dat werd het symbolisme.
Droom, mythe, angst, verlangen, de dood. Onderwerpen die geen model hebben en dus alleen via omwegen in beeld te brengen zijn.
Waarom die omweg nodig is
Een symbolist schildert zelden het gevoel zelf; hij schildert een verhaal of een figuur die ervoor staat. Vandaar de vele mythologische onderwerpen: die zijn bekend genoeg om herkend te worden en vaag genoeg om iets anders te betekenen.
Het werk hierboven doet dat met Ganymedes, de jongen die door Zeus in de gedaante van een adelaar wordt weggevoerd. Het verhaal is klassiek, de behandeling niet: de adelaar is bijna vormeloos, het landschap is een nevel, en het lichaam hangt in een houding die eerder overgave dan ontvoering suggereert.
Dat is de kern van de aanpak. De contouren worden zacht gehouden zodat u niet kunt uitmaken waar het beeld ophoudt en de uitleg begint.
Waaraan u het herkent
Aan de sfeer van halfduister of nevel, en aan kleuren die naar violet, mosgroen en okergeel neigen.
Aan figuren die niet handelen maar zich bevinden — zwevend, liggend, starend.
Aan titels die meer beloven dan het beeld toont. "De stilte", "Het gesloten oog", "Orpheus". Als de titel een abstract begrip is, zit u bijna altijd goed.
En aan de afwezigheid van tijd. Waar het impressionisme een moment vasthoudt, ontkent het symbolisme dat er momenten zijn.
Een stroming zonder gezamenlijke stijl
Het lastige aan het symbolisme is dat het geen herkenbare techniek heeft. Sommige symbolisten schilderen glad en gedetailleerd, anderen wollig en schetsmatig. Wat hen bindt is de opvatting, niet de hand.
Daardoor zit de beweging ook overal: in Frankrijk bij Redon en Moreau, in België bij Khnopff, in Noorwegen bij de vroege Munch, in Wenen bij Klimt. De landsgrenzen doen er weinig toe, de tijdgeest des te meer.
Die tijdgeest is die van het fin de siècle: een cultuur die zichzelf op zijn eind waant, met alles wat daarbij hoort aan verfijning en zwaarmoedigheid. Precies daarom is het symbolisme de directe voorloper van het surrealisme, dat dezelfde onderwerpen zou aanpakken met veel minder eerbied.
