Eén idee, overal toegepast
Art nouveau is de enige stroming in deze reeks die net zo goed over een trapleuning gaat als over een schilderij. Dat is geen bijzaak maar het uitgangspunt: de scheiding tussen kunst en gebruiksvoorwerp moest weg.
Het idee erachter is simpel en radicaal. Als een vorm uit de natuur komt, deugt hij. Een stengel, een rank, een haarlok, een golf — die lijn mag dan een deurkruk zijn, een lettertype, een raamkozijn of de rug van een stoel.
In Nederland en Duitsland heet dat jugendstil, in België en Frankrijk art nouveau, in Wenen Sezession. Dezelfde beweging, andere accenten.
De zweepslaglijn
Het handelsmerk is een lange, asymmetrische kromming die versnelt en weer afzwakt: de zweepslaglijn. U ziet hem in het affiche hierboven overal terug — in het haar, in de bloemenranken die van linksboven naar rechtsonder zwiepen, in het cirkelmotief achter het hoofd.
Belangrijk is dat die lijn nooit symmetrisch is. Een art-nouveau-ornament dat u kunt spiegelen, is meestal iets anders. De beweging moet ergens vandaan komen en ergens heen gaan, zoals een plant dat doet.
De tweede vaste ingreep is dat de lijn de kleur begrenst. Vlakken zijn plat ingevuld, zonder modellering. Dat komt rechtstreeks van de Japanse houtsnede, die in deze jaren Europa overspoelde.
Waarom juist het affiche
Art nouveau valt samen met de doorbraak van de kleurenlithografie, en dat is geen toeval maar oorzaak en gevolg. Op straat kon deze stijl doen waar hij het beste in was: opvallen met een silhouet en een omtrek, ook van dertig meter afstand.
Mucha's affiches voor een Parijse drukkerij zijn in feite advertenties, en ze zijn tegelijk de beroemdste beelden van de stroming geworden. Dat de reclame de kunstgeschiedenis in wandelde, is precies wat art nouveau wilde: geen onderscheid meer tussen hoog en laag.
Dat verklaart ook meteen de zwakte. Wat als vernieuwing begon, werd binnen vijftien jaar behang. Rond 1910 was de stijl zo alomtegenwoordig dat hij niets meer betekende, en de generatie daarna moest wel met rechte lijnen komen.
Wat ervan overblijft
In de steden meer dan in de musea. Amsterdam, Brussel, Riga en Wenen staan er vol mee: gevels met golvende kozijnen, tegeltableaus, smeedijzeren balkons.
Mijn advies bij een wandeling is om naar boven te kijken. Op ooghoogte is er in honderd jaar zoveel verbouwd dat er weinig over is; op de tweede verdieping staat de stijl er vaak nog gewoon.
