Waarom olieverf won
Vóór de vijftiende eeuw werd er vooral met tempera geschilderd: pigment gebonden met ei. Dat droogt binnen minuten, dus u kunt niet mengen op het paneel en moet met streepjes werken.
Olieverf droogt niet door verdamping maar door oxidatie: de olie neemt zuurstof op en verhardt langzaam tot een taaie film. Dat duurt dagen tot maanden, en dat is precies de winst. U kunt kleuren in elkaar laten lopen, overgangen maken, dagen later nog corrigeren.
Daar komt bij dat olie het pigment doorschijnend maakt. U kunt dus in lagen werken, waarbij het licht door de bovenste laag heen gaat, van de onderste terugkaatst en er onderweg kleur bij oppikt. Die diepte krijgt u met geen enkele andere techniek.
De opbouw van onder naar boven
Een klassiek doek bestaat uit lagen die elk hun taak hebben.
Het linnen wordt op een spieraam gespannen en gelijmd, zodat de olie het weefsel niet aantast. Daarop komt een grondering, vroeger krijt met lijm, later loodwit — die maakt het oppervlak glad en bepaalt de grondtoon van het hele schilderij.
Daarop een onderschildering, vaak in bruin of grijs, waarin licht en donker al vastliggen. Pas daarna de kleur, in toenemende dikte, en tot slot dunne doorzichtige lagen — glacis — die de tonen verdiepen.
Het stilleven hierboven is zelf zo gemaakt. Kijk naar het palet in het midden, met de klodders pigment erop gelegd: dat is niet alleen een voorwerp in de compositie maar ook een zelfportret van het vak.
De regel die u nooit moet omdraaien
Vet over mager. Elke volgende laag moet meer olie bevatten dan de vorige.
De reden is beweging. Een vette laag blijft langer soepel; een magere laag wordt sneller hard en bros. Legt u een magere laag over een vette, dan hardt de bovenkant uit terwijl de onderlaag nog werkt, en dan scheurt het.
Daar komt het craquelé vandaan dat u op oude doeken ziet. Een fijn, gelijkmatig net van haarscheurtjes is normale ouderdom. Grillige, brede scheuren of scheuren die maar in één vlak zitten, wijzen op een fout in de opbouw — of op een latere hand.
Wat dat voor de kijker betekent
Twee dingen die u in een museum meteen kunt gebruiken.
Het eerste: sta een keer schuin voor een doek in plaats van er recht voor. U ziet dan het reliëf, de streekrichting en de plaatsen waar de verf dik is opgezet. Dat vertelt u vaak meer over hoe het gemaakt is dan het beeld zelf.
Het tweede: geel is geen ouderdom van de verf maar van de vernis. Onder een vergeelde vernislaag zit meestal een veel koeler schilderij dan u vermoedt, en dat is de reden dat een gerestaureerd werk zo vaak onherkenbaar fris oogt.
Zelf blijf ik er verbaasd over dat een doek van vier eeuwen oud nog steeds hetzelfde doet als toen het net af was. Weinig materialen halen dat.
