EditieNº MMXXVI · 2026
Onafhankelijke uitgavemaandag 10 augustus 2026

Kijken naar schilderkunst en beeldhouwwerk, en uitleggen wat je ziet
Meesters van dichtbij

Rembrandt van Rijn: het licht dat niet uitlegt

Rembrandt schilderde geen gezichten maar mensen die op het punt staan iets te denken. Wat hij anders deed dan zijn tijdgenoten.

Rembrandts zelfportret uit 1659: het gezicht van de schilder met baret, uit een donkere achtergrond gelicht
Foto: Rembrandt — Public domain · Wikimedia Commons

Het gezicht dat ik nooit uitgekeken raak

Als ik één schilder mocht meenemen naar een onbewoond eiland, werd het deze, en niet vanwege de Nachtwacht. Het zijn de zelfportretten. Rembrandt heeft zichzelf zo'n tachtig keer vastgelegd, van een brutale jongen van twintig tot een zware, gehavende man van drieënzestig.

Dat is uniek in de kunstgeschiedenis, en het levert iets op wat geen enkele biografie kan: u ziet iemand ouder worden en tegelijk beter worden in het weergeven van dat ouder worden.

Wat hij anders deed

Zijn tijdgenoten waren buitengewoon goed in gelijkenis. Kant, kraag, huid, alles klopte. Rembrandt kon dat ook en liet het vaak bewust los.

Kijk naar het portret hierboven. De baret is nauwelijks meer dan een donkere massa. De kleding is bijna niet uitgewerkt. De achtergrond is een gloed zonder plaats. Alle aandacht — en alle verf — zit in het gezicht, en binnen dat gezicht in de ogen en de mond.

Dat is een keuze over waar u moet kijken, en die keuze wordt met de verfhoeveelheid gemaakt. Dik en gedetailleerd waar het ertoe doet, dun en vaag waar het niet hoeft. Zijn tijdgenoten verdeelden hun aandacht gelijkmatig; hij niet.

Het licht doet iets anders dan bij Caravaggio

Beiden werken met diep donker en één lichtbron, maar de uitkomst verschilt volledig.

Bij Caravaggio is het licht een schijnwerper: hard, gericht, theatraal. Bij Rembrandt is het eerder een gloed die uit het schilderij zelf lijkt te komen. U kunt vaak niet aanwijzen waar de lichtbron zit, en dat is opzet.

Het gevolg is dat het licht bij Caravaggio de gebeurtenis verklaart, en bij Rembrandt juist niet. Het toont een gezicht en houdt de rest achter. Wat die man denkt, blijft ongewis, en precies daarom blijft u kijken.

Een schildersopmerking over de late werken

Ga in een museum eens dicht bij een laat werk van Rembrandt staan — zo dichtbij als de suppoost toestaat. U ziet dan geen huid maar klodders, krassen en soms sporen van een penseelsteel die door de natte verf is gehaald.

Doe daarna vier stappen achteruit en het is weer een wang. Dat is het merkwaardigste dat er in dit vak bestaat, en niemand heeft het ooit zo ver gebracht.

Ik heb het geprobeerd, meer dan eens. Wat er dan gebeurt is dat de klodder een klodder blijft. Wat Rembrandt wist, is precies hoevéél informatie een oog nodig heeft om zelf de rest in te vullen — niet meer en vooral niet minder.

Waar te beginnen

Niet bij de Nachtwacht, hoe mooi ook. Begin bij een laat zelfportret, of bij het Joodse bruidje. Neem er tien minuten voor, niet twee.

En kijk naar handen. Rembrandt schilderde handen zoals anderen gezichten schilderen: als een plaats waar iemand zich verraadt.

Veelgestelde vragen

Hoeveel zelfportretten zijn er precies?
Dat hangt af van wie u het vraagt. In de laatste decennia zijn er verschillende toeschrijvingen herzien; de gangbare schatting ligt rond de tachtig schilderijen, etsen en tekeningen samen.
Waarom worden zijn schilderijen steeds donkerder gevonden dan ze zijn?
Door vergeelde vernislagen. Bij recente restauraties bleek onder dat bruin veel meer kleur te zitten dan generaties bezoekers hebben gezien.