Een Nederlandse uitvinding met wereldgevolgen
De Stijl is de belangrijkste bijdrage van Nederland aan de moderne kunst, en het begon met een tijdschrift. In 1917 richtte Theo van Doesburg in Leiden een blad op met die naam, en de groep eromheen — Mondriaan, Rietveld, Van der Leck, Huszár — deelde één overtuiging: kunst moest af van het toevallige.
Wat zij zochten was een beeldtaal die voor iedereen zou gelden, los van land, van onderwerp en van de persoonlijke handigheid van de maker. Na een oorlog waarin het nationale zo verschrikkelijk had uitgepakt, is dat een begrijpelijk verlangen.
De regels, en waarom ze zo streng zijn
Alleen horizontale en verticale lijnen. Alleen de drie primaire kleuren, plus wit, grijs en zwart. Geen symmetrie, wel evenwicht. Geen afbeelding van iets.
Dat laatste is het lastigste en het belangrijkste. Mondriaan noemde zijn werk nieuwe beelding, neoplasticisme, en hij bedoelde dat het schilderij zelf een ding is en niet het plaatje van een ding.
De schuine lijn is verboden omdat die richting suggereert, en richting is toeval. De secundaire kleur is verboden omdat die een mengsel is, en een mengsel is een compromis. Zo streng is het bedoeld, en zo consequent is het uitgevoerd.
Hoe u naar zo'n doek kijkt
Het werk hierboven lijkt eenvoudig en is dat niet. Kijk eerst naar de zwarte balken: ze zijn niet allemaal even dik, en geen enkele loopt van rand tot rand op de plek waar u hem verwacht.
Kijk daarna naar het grote rode vlak rechtsboven. Dat is verreweg het zwaarste element, en het hangt in de hoek. Om dat in balans te houden zet Mondriaan linksonder een klein blauw vlak en een zwarte rechthoek — samen genoeg gewicht om het doek niet te laten kantelen.
En kijk naar de witten. Ze zijn niet gelijk. Sommige neigen naar grijs, andere naar crème, en dat verschil is het enige wat aan schildershand herinnert.
Dat is de moeite waard om lang te doen. Wat op reproductie een decoratie lijkt, is in het echt een oefening in evenwicht die telkens anders uitpakt als u een stap opzij doet.
De ruzie over de diagonaal
In 1924 begon Van Doesburg schuine lijnen te gebruiken, wat hij elementarisme noemde. Voor Mondriaan was dat verraad aan het uitgangspunt, en hij verliet de groep.
Dat klinkt kinderachtig, maar het gaat ergens over: mag een beeldtaal die universeel wil zijn haar eigen regels aanpassen omdat het beter oogt? Mondriaan vond van niet. Hij hield het bij horizontaal en verticaal tot zijn dood in New York, waar de balken uiteindelijk zelf kleur kregen en het ritme van de stad opnamen.
De invloed van de groep is nauwelijks te overschatten. Rietvelds stoel, de Bauhaus-vormgeving, de moderne architectuur en het hele grafische ontwerp van de twintigste eeuw dragen er sporen van.
